‘We misten belangstelling voor haar familiegeschiedenis’

© {je_article_foto-credit}

{je_article_foto-bijschrift}

Diversiteit

28 sep 2023 – en

Op de dag dat mijn moeder werd bediend zei ze: ‘Ik kan nog niet gaan, want ik heb te veel troep in mijn hoofd.’
Mijn moeder is opgegroeid in Nederlands-Indië. Op 8 oktober 1957 vertrok ze, hoogzwanger van mij, met mijn twee zussen met de MS Oranje van Tandjong-Priok naar Amsterdam. Ik werd op 5 december in Nederland geboren.

Velen van ons hebben mensen met een andere culturele achtergrond in hun praktijk. Om hen persoonlijke en effectieve zorg te kunnen bieden, is het essentieel kennis te hebben van hun culturele en religieuze achtergronden. Daarom nodig ik in mijn rubriek ‘Divers advies van Fatima’ (ervarings)deskundigen uit rituelen en gebruiken uit andere culturen te belichten. Dit keer is het woord aan Wilma Thépass, zij werkte voor haar prepensioen als teamleider bij Jeugdzorg Nijmegen. Haar roots liggen in Nederlands-Indië.

Wilma tijdens een reis in Lombok, Indonesië

Mijn moeder overleed in 2010 in een verzorgingstehuis met vooral witte mensen met dementie. Mijn moeder leed ook aan dementie en aan het eind van haar leven kwamen veel gewoontes en herinneringen uit haar verleden terug. Dit leidde ertoe dat zij op een gegeven moment niet meer met de andere bewoners samen mocht eten. Ze kreeg het eten geserveerd op haar kamer. Mijn moeder begreep niet waarom en ook met ons werd hier niet over gesproken. Bij navraag bleek dat ze dit deden omdat mijn moeder met haar hand at en dat was onwenselijk voor de andere bewoners.

Verbannen
Mijn moeder groeide op in Nederlands-Indië. Daar wordt vaak met de hand gegeten en deze gewoonte uit haar kindertijd, kwam terug toen ze aan het dementeren was. Dat ze daarom met haar eten verbannen werd naar haar kamer, leidde ertoe dat ze niet meer at. Voor mensen uit Nederlands-Indië is eten vooral een sociaal gebeuren. Vanaf het moment dat ze alleen moest eten, raakte ze het niet meer aan.

Vanaf het moment dat ze alleen moest eten, raakte ze het niet meer aan

Blijf in het gareel. Val niet op. Wees bescheiden
Mijn moeder was 23 toen ze in juli 1945 haar eerste kind kreeg: Joyce. Samen met haar heeft ze in een Bersiapkamp gezeten. Mijn moeder heeft hier nooit iets over losgelaten. Wij – haar kinderen – waren haar houvast en daarmee hield ze zich staande. Ze wilde ons niet belasten met haar verleden. Maar ook met mijn ooms, tantes, neven en nichten sprak ze niet over het verleden. Zij wilden Nederlands-Indië achter zich laten. Het stilzwijgen hoort bij onze cultuur. Aan de buitenwereld laten zien dat het allemaal goed is: ‘Blijf in het gareel. Val niet op. Wees bescheiden.’

De deksel op haar ‘traumadoos’
In 2004 overleed mijn oudste zus Joyce aan de gevolgen van kanker. De band tussen mijn moeder en Joyce was heel sterk. Later realiseerde ik me dat die band in Indië was ontstaan, in de tijd dat zij samen in het kamp zaten. Vlak voor de dood van mijn zus, sprak mijn moeder voor het eerst over wat ze daar hebben meegemaakt. Het overlijden van mijn zus doorbrak het zwijgen van mijn moeder. Ik kreeg een glimp te zien van wat zij met zich meedroeg. Het was maar van korte duur, want al snel zei ze: adoeh, klaar! Nu wil ik er niets meer over vertellen.’ En de deksel ging weer op haar ‘traumadoos’. Tot aan het einde van haar leven.

Troep in mijn hoofd
In de weken voordat mijn moeder stierf, kwamen er flarden uit haar leven in Nederlands-Indië terug. Toen ze erg achteruitging, werd ze bediend. Mijn moeder haalde altijd veel steun uit het geloof. Ze liet ons weten: ‘Ik kan nog niet sterven. Er zit nog te veel troep in mijn hoofd.’ Ook wij vonden dat ze niet mocht sterven, terwijl ze het trauma van haar en Joyce herbeleefde! Ze is in haar leven zo krachtig geweest. Het kon niet zo zijn dat haar ziel het trauma zou meenemen naar het hiernamaals. Het was belangrijk dat ze zielenrust kreeg, voordat ze stierf.

Jossie, Jossie rennen
In de laatste week van haar leven waren mijn man Sjaak en ik op een middag bij haar op bezoek. Ze lag tussen ons in op bed, we hielden haar vast. Eindelijk kwam alles eruit. Ze schreeuwde, huilde en zocht met haar ogen in alle hoeken van de kamer. Ze wilde de kleren van haar lijf rukken, maar ze zat vast in een soort slaapzak. Ze riep: ‘Nee, niet nog een keer! Niet nog een keer! Blijf van me af!’ Ze riep ook: ‘Jossie, Jossie rennen, de honden komen weer achter ons aan! Rennen, want anders pakken ze ons weer!’ Dit ging vier uur door. Wanhoop, huilen, stiltes, flarden van zinnen, schreeuwen. Daarna werd ze rustig.

Rustig sterven
Ik lichtte de psychiater van het ziekenhuis in. Hij schreef angstremmers voor, maar waarschuwde dat ze dan niet meer zou kunnen praten. Maar wij vonden het belangrijker dat zij, in haar eigen tijd, rustig zou sterven. Ze kreeg regelmatig morfine toegediend en overleed een week later. Ik ben dankbaar dat ik er voor haar kon zijn deze laatste week en nog dankbaarder voor wat mijn moeder en mijn oudste zus ons als gezin hebben gegeven, ondanks hun trauma.

Belangstelling voor het land van herkomst en de familiegeschiedenis

Vreedzamer
Waarom vertel ik dit? Mijn moeder was een krachtige vrouw. Haar verleden en trauma’s speelden op in de laatste fase van haar leven, maar hiervoor kreeg ze weinig begrip en respect in de gezondheidsinstellingen waar ze verbleef. Ik begrijp dat zorgverleners niet alle gebruiken en rituelen kunnen kennen uit andere culturen, maar wij als familie hebben het gemist dat hier nooit naar is gevraagd. Met een nieuwsgierige houding en belangstelling voor het land van herkomst en de familiegeschiedenis, was de laatste fase van haar leven vreedzamer verlopen.

Reactie Fatima Malki
Het verhaal van Wilma Thépass illustreert hoe cruciaal de houding van zorgprofessionals is tijdens de behandeling. In 2016 ontwikkelde ik de 4B-methode, geïnspireerd op andere B-methodes. Op basis van mijn klinische en poliklinische praktijkervaring en gesprekken met patiënten bracht ik in kaart wat mensen missen binnen de behandeling en hoe zij benaderd wensen te worden. De 4B-methode houdt rekening met alle factoren die van invloed kunnen zijn op het gedrag van mensen en geeft invulling aan de 4B’s: bewustwording, begrip, betrokkenheid en beleving. De 4B-methode is praktisch en makkelijk in de spreekkamer toe te passen bij uiteenlopende patiënten: hoog opgeleid, laag geletterd, analfabeet en ongeacht etnische achtergrond, geslacht, cultuur en religie.

In de casus ‘Effectief communiceren met een analfabetische Marokkaanse vrouw’ beschrijft Malki de 4B-methode

Fatima Malki is verpleegkundig specialist diabetes en redactielid DiabetesPro

Vorig bericht

Weinig grip op diabetes door PDD-NOS en autisme

Volgend bericht

Nederlands onderzoek naar impact van rt CGM op kwaliteit van leven